Congres 2013

Artikel overgenomen uit PROCES (Tijdschrift voor strafrechtspleging)


‘Wat ik ervan vind; de stem van het kind’*

Lisanne van Heel, Majse Hofman & Mandy Kooijman

1 Inleiding

Op 31 mei 2013 heeft op de Erasmus Universiteit Rotterdam het congres ‘Wat ik ervan vind; de stem van het kind’ plaatsgevonden. Dit congres ging over de rol van minderjarigen in de veelal complexe civiele procedures. Worden zij wel gehoord en, nog belangrijker, voelen zij zich voldoende gehoord? Uit een recent onderzoek van de Kinderombudsman is namelijk gebleken dat met name dit laatste tot op heden onvoldoende het geval is.1

Op basis van artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet de overheid verzekeren dat het kind dat in staat is zijn (of haar) mening te vormen, het recht heeft die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend het belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. Minderjarigen moeten dus op basis hiervan in de gelegenheid worden gesteld hun mening kenbaar te maken. Het IVRK bepaalt dat dit kan geschieden middels het schrijven van een brief aan de rechter door de minderjarige, dan wel door het horen van de minderjarige door de rechter. In onze nationale wetgeving is dit artikel opgenomen in artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat in zaken over minderjarigen de rechter pas een beslissing neemt nadat hij de minderjarige van 12 jaar of ouder in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening te uiten. De rechter kan minderjarigen die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. De vraag die hier rijst, en die ook naar voren kwam in het onderzoek van de Kinderombudsman en tijdens het congres, is of artikel 12 IVRK voldoende vorm krijgt in onze wetgeving en juridische praktijk.

Het congres is ontstaan uit een samenwerking van de Rechtbank Rotterdam, de jeugdrechtadvocatuur, Bureau Jeugdzorg, de raad voor de kinderbescherming en de Erasmus School of Law. Het onderwerp werd zo belangrijk gevonden dat de zaal was gevuld met ruim 450 professionals uit de verschillende organisaties, die volop hebben bijgedragen aan de plenaire debatten. Sprekers tijdens het congres waren Marc Dullaert, de Nationale Kinderombudsman, over de bijzondere curator; Ed Spruijt, scheidingsonderzoeker aan de Universiteit Utrecht, over de stem van het kind bij een echtscheiding; Ido Weijers, hoogleraar Jeugdbescherming aan de Universiteit Utrecht, over de stem van het kind in civiele procedures; en Martine Delfos, klinisch psychologe, over het praten door professionals met kinderen. Na de presentaties vonden debatten met de zaal plaats over deze onderwerpen. Gedurende de presentaties en de discussies is een lijst bijgehouden met theoretische en praktische verbeterpunten die naar voren kwamen. Bijzonder aan dit congres was dat niet alleen professionals deelnamen, maar ook een groep van zo’n zestig ervaringsdeskundige minderjarigen. Deze minderjarigen hebben tijdens het ochtendgedeelte van het congres de workshops ‘Verhalen vertellen’, ‘Filmen’, ‘Striptekenen’ of ‘Woorden worden zinnen’ bijgewoond, om daarmee hun ervaringen te verbeelden. Die ervaringen hebben zij aan het begin van het middagcongres gepresenteerd aan de 450 professionals in de zaal door middel van striptekeningen, een aantal krachtige slogans en een zelfgemaakt filmpje. De minderjarigen hebben ook een bijdrage geleverd aan de plenaire discussie. Zo vertelde een van de aanwezige minderjarigen aan de zaal het volgende:

Ik ging naar de rechtbank. De rechter was in normale kleren. Ze had alles al op papier staan. Ik kon alleen maar met ja en nee antwoorden. Ik heb nooit meer gehoord wat de rechter ermee gedaan heeft. Ik heb niets op papier gehad.

Naast de verbeterpunten die plenair tijdens de presentaties en het debat zijn genoteerd, hebben de congresdeelnemers tijdens het congres rode en groene kaarten ingevuld, die bij binnenkomst waren uitgedeeld. Op de groene kaarten stond de vraag: ‘Hoe krijgt artikel 12 IVRK vorm in de u bekende jeugdrechtspraktijk?’ Deze vraag is door 101 deelnemers beantwoord. Op de rode kaarten stond de vraag: ‘Wat zou moeten gebeuren om beter vorm te geven aan artikel 12 van het IVRK?’ Deze vraag is door 123 deelnemers beantwoord.

In dit artikel inventariseren wij aan de hand van de resultaten van het congres de knelpunten en de verbeterpunten om een minderjarige een stem te geven in een juridische procedure. Dit doen wij aan de hand van de presentaties en discussies tijdens de plenaire sessie van het voornoemde congres en aan de hand van onze analyse van de resultaten van de rode en groene kaarten die zijn ingevuld door de congresdeelnemers. Als opmaat voor dit artikel hebben wij twee minderjarigen geïnterviewd die als ervaringsdeskundigen bij het congres aanwezig waren. Daarna bespreken we de communicatie met minderjarigen. Met welke middelen kan met minderjarigen gecommuniceerd worden? Hoe kunnen volwassenen het beste met kinderen praten en naar hen luisteren? Hoe wordt het kinderverhoor vormgegeven en welke verbeteringen zijn mogelijk? Ten slotte bespreken we de bijzondere curator en diens rol in juridische procedures. Wat kunnen zij betekenen en doen voor de minderjarigen? Wij zullen het artikel afsluiten met onze conclusies en aanbevelingen.

2 Individuele ervaringen van minderjarigen

Twee maanden na het congres hebben we gesproken met twee minderjarigen die als ervaringsdeskundigen bij het congres aanwezig waren. Zij waren tijdens de workshops erg enthousiast en wilden graag hun ervaring en mening delen. Om deze reden zijn we naderhand uitvoeriger met deze minderjarigen in gesprek gegaan.

De eerste die wij spraken, een jongen van 14 jaar, stond tussen de vechtscheiding van zijn ouders in. Omdat hij niet naar zijn vader wilde, werd Bureau Jeugdzorg erbij betrokken en is hij twee keer naar de rechtbank geweest. Hij gaf aan dat Bureau Jeugdzorg een rapport had opgesteld, maar dat daar niks in terugkwam van dat wat hij had verteld. Tegen de jongen werd gezegd dat hij na het inzien van het rapport aanpassingen mocht doen. Hij heeft drie e-mails naar de gezinsvoogd gestuurd met daarin de door hem gewenste aanpassingen, maar heeft hier nooit een reactie op gekregen. Het rapport is nimmer aangepast. Hij was daar erg boos en verdrietig over.

Na ongeveer drie jaar is door de rechter een bijzondere curator aangewezen. Hier was de jongen erg blij mee, want de bijzondere curator luisterde naar hem en alles werd ineens snel, naar de wensen van de minderjarige, geregeld. Hij heeft samen met de rest van het gezin lang in spanning gezeten, wat voor veel stress heeft gezorgd. Naar de indruk van deze jongen had alles veel sneller kunnen gaan indien eerder een bijzondere curator was aangesteld. De minderjarige geeft dan ook aan dat hij veel baat heeft gehad bij de bijzondere curator. Hij is van mening dat deze veel vaker en sneller aangewezen zou moeten worden. Hij geeft desgevraagd aan een bijzondere curator te verkiezen boven een advocaat, omdat een bijzondere curator onafhankelijk is, benoemd wordt door de rechter en niet beïnvloedbaar is door (een) ouder(s). De jongen heeft de onafhankelijkheid van de bijzondere curator als erg prettig ervaren.

Als we het hebben over zijn ervaring met de rechtbank, geeft de jongen aan dat hij de gesprekken met de rechter prettig vond. Hij had op eigen initiatief een brief aan de rechter geschreven omdat hij wilde dat er echt naar zijn verhaal geluisterd werd. Hij geeft aan dat hij graag zou willen zien dat aan kinderen uitgelegd wordt dat zij die mogelijkheid hebben, en daarbij kan in sommige gevallen begeleiding fijn zijn (bij erg jonge kinderen bijvoorbeeld). Tijdens het gesprek met de rechter droeg deze geen toga en zat naast hem aan tafel, wat de spanning bij de jongen wegnam, waardoor hij beter kon praten. Zelf is hij overigens geen voorstander van een vriend(innet)je bij het gesprek, maar een broer(tje) of zus(je) zou wel kunnen. De jongen geeft nog aan het jammer te vinden hij niet zelf van de rechter heeft gehoord wat deze besloten heeft. Hij zou juist graag van de rechter een reactie ontvangen met daarin wat hij heeft gedaan met zijn mening en heeft besloten, in begrijpelijke taal.

Aan het eind van het gesprek benadrukt de jongen nog een keer dat meer geluisterd moet worden naar kinderen en dat eerder en vaker een bijzondere curator aangewezen moet worden. Hij vindt ook dat gewerkt moet worden aan meer bekendheid over de bijzondere curator bij kinderen en dat aan kinderen verteld moet worden wat hun rechten zijn en op welke gebieden hulp geboden kan worden.
De andere minderjarige die wij na het congres interviewden, een meisje van 17 jaar, gaf aan dat zij door de scheiding van haar ouders naar de rechtbank moest. Zij is net als de jongen bij de rechtbank gehoord. Dit meisje had echter een eigen advocaat. Zij vond het prettiger om gehoord te worden in het bijzijn van haar advocaat. Deze was er immers om haar verhaal en haar wensen naar voren te brengen. Zij heeft positieve ervaringen aan het bezoek aan de rechtbank overgehouden. De rechtbank heeft ook in zijn beslissing rekening gehouden met wat zij wilde.

Behalve het gesprek op de rechtbank heeft het meisje ook een brief geschreven. Haar advocaat heeft deze brief voor haar naar de rechtbank verstuurd. Het meisje benadrukte tijdens het gesprek dat zij het erg prettig vond om een eigen advocaat te hebben. Zij zou dit ook aanraden aan andere kinderen. De advocaat moet dan wel naar voren brengen wat het kind wil. Door middel van een advocaat kan er beter geluisterd worden naar kinderen. Belangrijk vindt zij daarnaast dat de rechters voldoende tijd nemen voor een gesprek met minderjarigen. Zij vond het namelijk erg fijn dat de tijd voor haar werd genomen. Het meisje had graag na het gesprek met de rechter nog contact willen hebben met de rechtbank, maar haar advocaat heeft goed uitgelegd hoe de procedure is verlopen.

3 Communiceren met minderjarigen

Een minderjarige tijdens de workshop ‘Woorden worden zinnen’:

LUISTER... dit is mijn stem.

Communicatiemiddelen

Op basis van artikel 12 IVRK en artikel 809 Rv worden minderjarigen in een procedure in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Dit kan onder meer door het schrijven van een brief aan de rechter, de zogenoemde informele rechtsingang. Op dit moment hebben alle kinderen, ongeacht hun leeftijd, de mogelijkheid een brief te schrijven aan de rechter. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen bij de Kinder- en Jongerenrechtswinkel. Op basis hiervan kan de rechter beslissen de minderjarige te horen. Voor dit kindgesprek geldt overigens op grond van artikel 809 Rv een leeftijdsgrens van 12 jaar. Volgens verschillende deelnemers zouden alle minderjarigen, dus ook de minderjarigen die nog niet de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt, gehoord moeten worden. De Kinderombudsman beveelt een onderzoek aan naar het criterium ‘de rijpheid van een kind’ in plaats van de leeftijdsgrens van 12 jaar.2 Als een minderjarige rijp genoeg is om zijn mening kenbaar te kunnen maken, zou hiernaar geluisterd moeten worden. Minderjarigen moeten hiervoor wel bekend zijn met de mogelijkheid van het schrijven van een brief aan de rechter. De Kinderombudsman neemt dit punt ook mee in zijn aanbevelingen na zijn onderzoek. Hij geeft aan dat uit gesprekken met rechters is gebleken dat de brieven van minderjarigen een belangrijke bron zijn om de behoeftes van minderjarigen te bepalen. Om te voorkomen dat brieven kwijtraken adviseert hij een speciaal loket of een speciale brievenbus bij de rechtbanken.3 De informele rechtsingang en het voeren van goed overleg tussen de minderjarigen en de Kinder- en Jongerenrechtswinkel komen ook duidelijk als positieve punten naar voren uit onze analyse van de rode en groene congreskaarten.

Een gezinsvoogd gaf tijdens een van de discussies op het congres aan dat wellicht multimedia gebruikt kunnen worden om met minderjarigen te communiceren. Minderjarigen kunnen een filmpje van zichzelf maken en dit vervolgens opsturen naar de kinderrechter. Zij kunnen zo’n filmpje maken in hun vertrouwde omgeving. Hier staat echter tegenover dat dit niet daadwerkelijk de mening van de minderjarige hoeft weer te geven. Een ouder kan namelijk aanwezig zijn, maar buiten beeld staan.

Een mediator merkte tijdens het congres op dat minderjarigen tijdens het spelen van spelletjes vaak beter hun verhaal kunnen doen. Spelenderwijs komt bij minderjarigen meer los dan in een vraag-antwoordsituatie. Op deze manier zouden ook minderjarigen die nog niet de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt hun mening kunnen uiten. Ook wordt door congresdeelnemers aangegeven dat het belangrijk is dat de visie van de minderjarige als uitgangspunt wordt genomen en dat de minderjarige als eerste wordt gehoord, zonder de invloeden van ouders of andere belanghebbenden.

Van kinderverhoor naar kindgesprek

Een minderjarige tijdens de workshop ‘Woorden worden zinnen’:

Iedereen heeft een stem.

Het horen van de minderjarige wordt in de verschillende rechtbanken ‘het kinderverhoor’ genoemd. Tijdens het congres kwam naar voren dat de term ‘verhoor’ zou moeten worden geschrapt en zou moeten worden vervangen door de term ‘kindgesprek’. Van belang is immers dat de rechter in gesprek kan komen met de minderjarige. De term ‘kindgesprek’ zal in de praktijk ook voor minder associaties zorgen met een strafrechtelijk verhoor en wat spanning bij de minderjarigen weghalen. Op de website van de Raad voor de rechtspraak is reeds te lezen dat de raad de term kindgesprek wil hanteren. Er wordt geschreven dat het kinderverhoor in de procedure geen verhoor is, maar een kindgesprek. Zo zou het ook genoemd moeten worden.4

Tijdens de kindgesprekken dient aan bepaalde punten aandacht te worden besteed. Volgens Ido Weijers is het belangrijk dat de spanningsboog van de zitting niet te lang is. Hoe jonger de minderjarige, hoe korter de spanningsboog zou moeten zijn. In complexe zaken, met name bij combi-zittingen, kan de spanningsboog soms erg lang zijn. Deze zaken zijn erg moeizaam te volgen voor minderjarigen,

en minderjarigen worden hierin te weinig betrokken. Ido Weijers heeft hier niet direct een oplossing voor, maar noemt dit wel als een punt van aandacht.
Ido Weijers gaf tijdens zijn presentatie ook aan dat minderjarigen vaak de kritiek hebben dat advocaten de mening van het kind niet goed verwoorden. Dat is een kwestie van miscommunicatie of onvoldoende voorbereiding. Het is voor minderjarigen belangrijk dat als zij een advocaat hebben, deze advocaat het standpunt van het kind goed weet te verwoorden. De advocaten zijn er immers om de stem van de minderjarige te vertegenwoordigen. Ook ten aanzien van de kinderrechter hebben de minderjarigen een duidelijke mening. Sommige kinderrechters luisteren wel goed, wat te zien is aan de houding van de kinderrechter en de reactie die zij geven op antwoorden van de minderjarigen. Andere rechters geven de minderjarigen onvoldoende ruimte en tijd om hun verhaal te vertellen. Ido Weijers geeft als verbeterpunt aan dat moet worden gezocht naar een balans in de tijd dat de professional aan het woord is en de tijd dat de minderjarige aan het woord is. Volgens de hoogleraar Jeugdbescherming moet geprobeerd worden de minderjarigen zo veel mogelijk zelf aan het woord te laten. Dit kan bereikt worden door meer te vragen aan minderjarigen, op essentiële punten, en te zorgen dat het kind kan praten. De rechter moet echter niet te snel een vraag over de vorige vraag stellen, maar de minderjarige de tijd geven om na te denken en te vertellen wat hem op het hart ligt.

In de discussie tijdens het congres wordt door de aanwezige minderjarigen aangegeven dat zij graag van de rechtbank willen horen wat de kinderrechter heeft gedaan met hetgeen de minderjarige tijdens het kindgesprek kenbaar heeft gemaakt. De enige terugkoppeling is nu de beschikking. Deze is erg formeel geschreven en heeft voor minderjarigen een veelal onleesbare inhoud. Een oplossing hiervoor zou een zogeheten kinderbeschikking kunnen zijn, die gericht is aan de minderjarige en geschreven is in de taal van de minderjarige. Op deze manier kunnen de minderjarigen op een voor hen begrijpelijke wijze kennisnemen van hetgeen is beslist door de kinderrechter.

Een minderjarige tijdens de plenaire sessie van het congres:

Ik heb echt niets van alle presentaties begrepen, alleen van die van mevrouw Delfos.

Over de rechters zelf werd tijdens de discussie gesteld dat zij, net als de advocaten, meer empathie voor minderjarigen moeten hebben en ook beter opgeleid moeten worden voor kindgesprekken. Daarbij moeten een kindvriendelijke ruimte en sfeer gecreëerd worden. De afstand tussen de rechter en minderjarige moet worden verkleind. Dit kan bewerkstelligd worden door niet vanaf een podium en in toga minderjarigen te horen, maar in gewone kleren, op gelijkwaardige hoogte.

Daarnaast is het belangrijk voor minderjarigen dat zij individueel gehoord worden. Ido Weijers gaf in zijn presentatie aan dat minderjarigen niet overal individueel gehoord worden. Dit moet volgens hem wel het geval zijn, zodat zij zonder belemmeringen hun mening kunnen weergeven. Martine Delfos merkte in haar presentatie op dat als je een minderjarige wilt horen, er een veilige situatie voor de minderjarige gecreëerd moet worden, zodat de minderjarige kan praten.

Een minderjarige heeft dit stukje geschreven tijdens de workshop ‘Woorden worden zinnen’:

Stel niet teveel vragen
Drijf me niet in een hoek
Laat me gewoon praten
Maar verwacht geen open boek ... binnen een paar dagen.

Dat de gang van zaken tijdens een kindgesprek per rechtbank wisselt, blijkt ook uit de reacties uit de congreszaal. Volgens een rechter bij de Rechtbank Den Haag worden minderjarigen meestal individueel gehoord. Soms worden zij echter tegelijk gehoord met broertjes of zusjes. Dit ligt aan de persoonlijke omstandigheden en de situaties waarin de minderjarigen verkeren. Een minderjarige uit de zaal geeft aan dat hij het fijn vindt wanneer de rechter alleen met hem spreekt. Een andere minderjarige uit de zaal merkt vervolgens op dat wanneer je samen met iemand anders gehoord wordt, je beïnvloed kan worden door die ander. Een kinderrechter bij de Rechtbank Noord-Holland gaf aan dat minderjarigen in die rechtbank altijd apart gehoord worden. Het hangt niet van het dossier af. De advocaat mag ook niet mee. Soms wordt een gezinsvoogd wel toegelaten als een kind dat wil, maar dat is enkel bij hoge uitzondering. Volgens een rechter bij de Rechtbank Amsterdam wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende zaken: als het gaat om gezag en omgangszaken, worden de minderjarigen alleen gehoord. Heel af en toe wordt gevraagd om de advocaat erbij te laten, maar in beginsel gebeurt dit niet. Het is belangrijk om de minderjarigen apart te horen, anders bestaat het gevaar dat enkel de advocaat aan het woord is. Een rechter bij het Gerechtshof Amsterdam vertelt dat minderjarigen altijd individueel gehoord worden, maar wel in het bijzijn van de raad voor de kinderbescherming. Ter zitting wordt dan een korte samenvatting gegeven van wat het kind heeft gezegd. Een advocaat uit Rotterdam merkt op dat je als advocaat bij een kindgesprek juist een belangrijke rol kunt spelen. Als advocaat zeg je in beginsel niets, maar jouw bijzijn wordt door minderjarigen veelal als prettig ervaren. Een andere deelnemer merkt op dat advocaten getraind moeten worden om te letten op non-verbale communicatie. Hierdoor zou het kindgesprek effectiever kunnen worden, waardoor meer recht wordt gedaan aan de stem van het kind.

Ook op de congreskaarten wordt vermeld dat een minderjarige zich soms beter kan uiten tegenover een bekend persoon of vriend(innet)je. Professionals moeten leren luisteren naar de minderjarigen, niet enkel zelf praten. Dat er geen woorden gebruikt worden, wil niet zeggen dat je niets ziet, denkt en voelt. Iemands verhaal kan zich uiten in bepaalde emoties, die moeten herkend worden door de professionals. Verder wordt op de congreskaarten vermeld dat professionals bij gesprekken met minderjarigen het woord ‘waarom’ zo veel mogelijk moeten vermijden, omdat minderjarigen vaak geen antwoord kunnen geven op een dergelijke abstracte vraag. Een ander op de kaarten genoemd verbeterpunt is de overdracht tussen professionals. Een betere overdacht tussen professionals voorkomt dat kinderen steeds opnieuw hetzelfde verhaal moeten vertellen aan verschillende mensen. Tot slot wordt nog een erg belangrijk punt genoemd, namelijk tijd. Er moet meer tijd gecreëerd worden voor de kindgesprekken en er moet minder druk aanwezig zijn vanuit de doorlooptijden. Steeds meer wordt beslist in steeds minder tijd, wat zijn tol gaat eisen. Een van de professionals noemt het organiseren van één zitting per week voor kindgesprekken. Wanneer meer tijd zou kunnen worden gecreëerd, kunnen aparte rapporten en beschikkingen voor minderjarigen in begrijpelijke taal geschreven worden.

Uiteraard is niet elk kritiekpunt op iedere rechter of iedere advocaat van toepassing. Er zijn ook deelnemers die schrijven dat rechters echt luisteren naar de minderjarigen.

4 De bijzondere curator

Op grond van de artikelen 1:212 en 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan door de rechter een bijzondere curator worden benoemd. Een bijzondere curator is iemand die een minderjarige onder andere kan vertegenwoordigen in een conflict met zijn ouders of voogd. De bijzondere curator genoemd in artikel 1:212 BW kan worden benoemd in afstammingszaken, en de bijzondere curator genoemd in artikel 1:250 BW in zaken betreffende het ouderlijk gezag. De rechter kan ambtshalve een bijzondere curator benoemen als hij dat in het belang van de minderjarige nodig acht, maar de minderjarige of andere belanghebbenden kunnen ook om een bijzondere curator vragen middels een verzoekschriftprocedure.

De Kinderombudsman geeft tijdens het congres aan dat uit zijn onderzoek blijkt dat onder anderen rechters onvoldoende op de hoogte zijn van de procedure tot benoeming van een bijzondere curator.5 De bewoording van artikel 1:250 BW maakt de situatie nog complexer, omdat in het artikel staat dat sprake moet zijn van een belangenconflict, wil een bijzondere curator benoemd kunnen worden. Deze formulering is volgens de Kinderombudsman veel te strikt. Volgens de Kinderombudsman moet worden onderzocht of de huidige formulering van artikel 1:250 BW de belangen van minderjarigen wel in de ruimst mogelijke zin kan waarborgen. In alle situaties waarin het gaat om de verzorging en opvoeding van minderjarigen, waarbij zij in de knel (dreigen te) raken, moet een bijzondere curator kunnen worden benoemd. De Kinderombudsman stelt dat de huidige tekst van artikel 1:250 BW slechts kan volstaan indien deze zeer extensief zal worden geïnterpreteerd.6 Aan de figuur van een bijzondere curator moeten volgens de Kinderombudsman voorts bepaalde kwaliteitseisen worden verbonden. Er bestaan op dit moment namelijk geen wettelijke vereisten of opleidingsvereisten waaraan een bijzondere curator dient te voldoen. Minderjarigen hebben baat bij gespecialiseerde figuren die naar hen luisteren en die hierin getraind zijn. Bij het bepalen van de kwaliteitsnormen dient te worden gefocust op andere dan enkel juridische vaardigheden en op het aanstellen van bijzondere curatoren met een andere achtergrond dan een juridische. Dit wordt ook genoemd op de rode en groene congreskaarten. De professionals stellen echter niet alleen opleidingseisen voor, maar geven daarnaast aan dat opleidingsmogelijkheden gecreëerd moeten worden. Binnen de opleiding van kinderrechters zou meer aandacht moeten worden besteed aan de rechtsfiguur van de bijzondere curator. Niet alleen de professionals, maar ook de burgers dienen meer bekend te zijn met de figuur van de bijzondere curator. Dit kan volgens de Kinderombudsman worden bereikt door folders op te stellen en deze te verspreiden onder Kinder- en Jongerenrechtswinkels, Juridische Loketten, rechtbanken, gerechtshoven, mediators, de advocatuur, het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg, Zorgbelang en Bureau Jeugdzorg, maar bijvoorbeeld ook bij bibliotheken, Centra voor Jeugd en Gezin en de Jeugd-GGZ.7 Volgens de Kinderombudsman zal voorts een heldere en concrete taakomschrijving duidelijkheid verschaffen omtrent de taken en het eind van de opdracht van de bijzondere curator. Tevens zal dit handvatten bieden voor toezicht, door de rechter, op het werk dat de bijzondere curator heeft verricht.8 Verder dienen de griffierechten en de eigen bijdragen voor de bijzondere curator te vervallen. Van minderjarigen kan niet worden verlangd dat zij dit kunnen betalen. Volgens de Kinderombudsman mag het mogelijke bezwaar dat ouders via de minderjarige zullen proberen gratis te procederen, geen drempel vormen voor het vervallen van de griffierechten wanneer een minderjarige samen met de bijzondere curator een procedure aanhangig maakt. Bij de benoeming van de bijzondere curator wordt direct getoetst of het daadwerkelijk in het belang van het kind is. Indien dit het geval is, is het voor de minderjarige niet wenselijk wanneer er alsnog financiele drempels ontstaan.9 Tot slot geeft de Kinderombudsman aan dat moet worden vertrouwd op de eigen en op elkaars deskundigheid. De bijzondere curator is er in het belang van het kind en heeft een eigen taak naast de andere partijen in het geding. Alle partijen kunnen elkaar versterken en controleren, zodat de stem en belangen van de minderjarige optimaal gediend worden.10

Uit het onderzoek van de congreskaarten blijkt dat de congresdeelnemers de aanbevelingen van de Kinderombudsman ondersteunen. Op de kaarten is aangegeven dat minderjarigen hun verhaal kunnen doen via deze bijzondere curator, die alleen voor hun belangen opkomt, en dat het een voordeel is dat de bijzonder curator – in tegenstelling tot een advocaat – wordt benoemd door de rechter en dus niet (door de ouders) ingewisseld kan worden.

5 Conclusie

Wij kunnen op basis van wat er naar voren is gekomen bij de presentaties, de discussies en de resultaten van de rode en groene congreskaarten, concluderen dat er op dit moment in veel gevallen nog te weinig naar minderjarigen geluisterd wordt en te veel door volwassenen gepraat wordt. Volwassenen moeten leren beter te luisteren naar minderjarigen. Tijdens opleidingen van de professionals wordt op dit moment te weinig aandacht geschonken aan de wijze van communicatie tussen volwassenen en minderjarigen. Dit geldt voornamelijk voor rechters, maar ook voor andere hulpverleners. Daarbij is informatie uit onderzoeken, rapporten en uitspraken die wordt teruggekoppeld aan de minderjarigen, schaars. Zij kunnen vaak geen reactie geven op hetgeen door de volwassenen geconstateerd en geconcludeerd is. Dit zou moeten worden verbeterd.

Er zijn verschillende meningen naar voren gekomen over de vraag of een minderjarige individueel gehoord moet worden of dat hier een advocaat, familielid of vriend(innet)je bij zou mogen zijn. In elke rechtbank wordt weer anders gehandeld. Hierover zou meer consensus moeten bestaan. Een minderjarige zou zelf moeten kunnen bepalen of hij iemand mee zou willen nemen tijdens het kindgesprek, maar hier moet dan wel ruimte voor worden gemaakt. Minderjarigen zijn daarnaast vaak niet op de hoogte van hun rechtspositie: wat zij mogen en kunnen doen om hun stem te laten horen. Ze weten bijvoorbeeld vaak niet dat ze een brief kunnen schrijven aan de rechter. Hier zouden advocaten, bijzondere curatoren maar ook andere hulpverleners minderjarigen bij moeten helpen.

We kunnen concluderen dat vaker een bijzondere curator zou moeten worden toegewezen. De Kinderombudsman heeft aangegeven dat dit nog te weinig gebeurt en dat dit mede komt doordat rechters niet genoeg op de hoogte zijn van de procedures tot het instellen van een bijzondere curator. De wetgeving hieromtrent is niet erg verhelderend. De Kinderombudsman doet de aanbeveling om de formulering van artikel 1:250 BW aan te passen. Deze aanpassing moet er zorg voor dragen dat het duidelijker wordt voor rechters wanneer zij een bijzondere curator kunnen aanwijzen. Daarbij moet een wetswijziging zorgen voor een breder gebied voor het toewijzen van een bijzondere curator, zodat deze in meer zaken en derhalve vaker aangesteld kan worden.

Een ander verbeterpunt dat naar voren kwam tijdens een van de interviews met de kinderen is dat naast de congressen voor volwassenen, kindercongressen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de positie van het kind. Kinderen die zelf in procedures verwikkeld waren, kunnen hierover praten en aangeven wat zij graag anders zouden willen zien. Zij kunnen dan ook meedenken en -praten over beleidsmaatregelen en hierover in debat gaan.

Een van de componenten die alle kritiekpunten samenbrengen en die een grote verbetering zouden zijn, is het nemen van genoeg tijd voor minderjarigen. Bij elk punt kan men zich voorstellen dat meer tijd nodig is om verbeteringen te kunnen zien, bijvoorbeeld in de communicatie, in het terugkoppelen van informatie, bij het instellen van een bijzondere curator, enzovoort. Tijd is nodig om een vertrouwensband op te bouwen, om het vertrouwen van de minderjarige te winnen. Wij concluderen dat een basis om minderjarigen een stem te geven in civiele procedures aanwezig is. Dit moet echter in de praktijk nog beter uitgewerkt worden en er zou meer tijd voor genomen moeten worden. Daarnaast moet ook het beleid zodanig aangepast worden dat er geluisterd wordt naar minderjarigen en dat er alles aan gedaan wordt om minderjarigen op verschillende manieren hun verhaal te laten doen. Het feit dat de term ‘kinderverhoor’ op de website van de Raad voor de rechtspraak is vervangen in ‘kindgesprek’, is een mooie stap vooruit.

Wij hopen dat steeds meer verbeteringen doorgevoerd zullen worden, zowel in de praktijk als in het beleid, zodat de minderjarigen niet alleen een positie en een stem hebben, maar ook steeds beter zullen worden gehoord.

* Lisanne van Heel LL.B. en Mandy Kooijman LL.B. zijn masterstudent Strafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Majse Hofman LL.B. is masterstudent Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden.
1 Kinderombudsman, De bijzondere curator, een lot uit de loterij? Adviesrapport over waarborging van de stem en de belangen van kinderen in de praktijk, 2012.
2 Kinderombudsman 2012, p. 50.
3 Kinderombudsman 2012, p. 50.
4 http://www.rechtspraak.nl/Actualiteiten/Nieuws/Pages/‘Kind-wordt-onvol....
5 Zie ook Kinderombudsman 2012, p. 51.
6 Voorbeeld ruimere formulering wettekst van art. 1:250 BW: ‘Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen – ook als beiden het gezag hebben – dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, dan wel mogelijk in strijd kunnen zijn met de minderjarige of wanneer er sprake is van een situatie waarin de ouder(s) of voogd(en) niet in staat zijn om de belangen van de minderjarige behoorlijk te behartigen, benoemt de rechtbank, dan wel, indien het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen’, Kinderombudsman 2012, p. 49.
7 Kinderombudsman 2012, p. 49-50.
8 Kinderombudsman 2012, p. 51.
9 Kinderombudsman 2012, p. 52.
10 Kinderombudsman 2012, p. 52-53.